Dit jaar meer gewone zeehonden pups in Waddenzee, ondanks dalende populatie trend
De gewone zeehondentellingen laten zien dat het aantal pups in de Waddenzee opnieuw opvallend hoog is, terwijl de totaaltelling nog geen herstel vertoont. Er zijn bovendien duidelijke verschillen tussen de verschillende landen. De tellingen zijn uitgevoerd door onderzoekers uit Denemarken, Duitsland en Nederlands die samenwerken binnen de Trilaterale Expert Group Marine Mammals. De resultaten sluiten aan bij het beeld van de afgelopen jaren en roepen vragen op over de samenstelling van de populatie.
In 2025 registreerden onderzoekers in de gehele Waddenzee en Helgoland, 10.044 gewone zeehondenpups en 23.954 dieren tijdens de ruiperiode. Sinds 2021 laten de tellingen een dalende trend zien van –4% in het aantal dieren dat tijdens de rui worden geteld. Daarentegen is het aandeel pups dat geteld werd hoger dan ooit eerder gemeten. De trend in het aantal pups van de afgelopen 5 jaar is echter minder spectaculair: een lichte groei van 1%.
Hoewel het totaal aantal gewone zeehonden in de internationale Waddenzee en Helgoland, in 2025 met 1% toenam tot 23.954 dieren, blijft het aantal – net als in 2023 en 2024 – lager dan in de periode 2012–2021. De resultaten laten dit jaar grotere regionale verschillen zien dan gebruikelijk: in Denemarken en Sleeswijk-Holstein daalden de aantallen met respectievelijk 20 en 8%, terwijl in Nedersaksen juist een toename werd gemeten van 9%. In Nederland werden tijdens de ruiperiode 7.285 dieren geteld, een toename van 10% ten opzichte van 2024.
Na drie jaren achter elkaar met een lage aantal pups, werden in 2025 weer meer geteld: 2025 heeft het op één na hoogste aantal pups ooit en het hoogste aandeel ten opzichte van de totale populatie. In de Waddenzee, inclusief Helgoland, werden 10.044 pups geteld – een stijging van 22% vergeleken met 2024. Ook hierbij waren opvallende regionale verschillen zichtbaar: in Nederland nam het aantal pups toe met 44% tot 2.809, in Denemarken met 4%, en in de Duitse gebieden (Sleeswijk-Holstein en Nedersaksen) gemiddeld met 25%.
“Het is opvallend dat we zoveel jonge zeehonden zien, maar dat de populatie niet groeit,” zegt Jessica Schop. “Juist omdat we de dieren al zo lang tellen, kunnen we deze trend waarnemen. We willen begrijpen wat er met de jonge dieren gebeurt, en welke omstandigheden daarbij een rol spelen.”
In 2025 zijn iets meer zeehonden geteld dan in 2024. Variatie tussen de jaren is heel normaal en wordt onder andere veroorzaakt door weersomstandigheden of verstoringen. Om dit op te vangen, is het noodzakelijk om te kijken naar de trend over meerdere jaren. Dit laat vooralsnog een afnemende trend van 4% per jaar zien. Volgens zeehondenonderzoekers Sophie Brasseur en Jessica Schop van Wageningen Marine Research kan de afname van gewone zeehonden wijzen op een veranderde populatiesamenstelling, bijvoorbeeld in de leeftijdsverhouding. Mogelijk is er sprake van een relatief hoog aandeel volwassen vrouwtjes die een jong krijgen. Omdat de aantallen tijdens de rui niet stijgen, lijkt het erop dat er een hogere pupsterfte is. Weinig jonge dieren bereiken de volwassen leeftijd en dragen daarom niet bij aan het aantal dieren dat wordt waargenomen tijdens de ruiperiode. De verhouding tussen het aantal getelde pups en het aantal tijdens de rui is gestegen van gemiddeld 25% tien jaar geleden naar bijna 42% in 2025. Naast verschillen in populatiesamenstelling kan het ook zijn dat zeehonden, ten opzichte van eerdere jaren, een ander gedrag vertonen.
